Selecteer een pagina

Nederland telt met 22,5 miljoen exemplaren meer fietsen dan in inwoners. Toch was het tweehonderd jaar geleden geen Nederlander die de fiets uitvond, maar een Duitser.

Een originele loopmachine uit 1820.

Baron Karl Friedrich Drais von Sauerbronn presenteerde in 1817 vol trots in het Duitse Mannheim zijn Laufmachine. De voorloper van de huidige fiets was een alternatief voor vervoersmiddelen waar je dieren voor nodig had.

Het voertuig uit 1817 beschikte over een houten frame en twee houten wielen, maar had geen stuur of pedalen. De bestuurder zat op het harde frame en bewoog zichzelf voort met behulp van zijn benen. Drais slaagde erin om met zijn 22 kilo wegende prototype maar liefst 13 kilometer af te leggen binnen het uur. Helaas werd het geen commercieel succes, vooral omdat de loopfiets uiterst oncomfortabel was op onverharde wegen. Pas in 1862 werd de fiets populair nadat een Franse mecanicien enkele verbeteringen had aangebracht.

Twee fietsers op een Penny- Farthing omstreeks 1886.

Penny-Farthing

De meest herkenbare tweewieler is echter niet de loopfiets van Drais, maar de ‘Penny-Farthing’ uit 1867. Deze fiets van Engelse makelij had een gigantisch groot voorwiel en een klein achterwiel en was vernoemd naar een groot (penny) en een klein (farthing) muntstuk. In Nederland maakte onder andere Concordia deze fiets.

Het gebruik van het rijwiel vergde nogal wat oefening en er gebeurde regelmatig ongelukken mee. Zo bleek afdalen van een heuvel vrijwel onmogelijk en werd de fietser bij een onverwachte stop over het stuur gelanceerd. Pas aan het eind van de 19de eeuw werd de fiets wat veiliger met de introductie van de eerste kettingaandrijving en het gebruik van luchtbanden.

De populariteit van de fiets is nog steeds hoog, zeker met de opkomst van de E-bike. Het is het duurzame alternatief voor de vervuilende auto en scooter in de drukke binnensteden. Bovendien zijn de E-bikes van tegenwoordig een stuk comfortabeler dan de houten loopfietsen van Drais.